In juli 2026 publiceerde JAMA Network Open een opvallende studie: onderzoeker Clair Kronk en collega's van de Icahn School of Medicine at Mount Sinai analyseerden Amerikaanse verzekeringsclaims van meer dan 231.000 jongeren tussen 2016 en 2025, verdeeld over trans en cisgender jongeren met en zonder puberteitsremmers. De uitkomst haalde binnen enkele weken tientallen medische vakbladen en nieuwssites: trans jongeren die puberteitsremmers kregen, hadden ongeveer 48 procent minder kans op een gediagnosticeerde stemmingsstoornis en 80 procent minder kans op suïcidale gedachten of gedrag dan trans jongeren die geen remmers kregen. Voor wie het politieke debat over genderzorg volgt, klinkt dat als hard bewijs voor de beschermende werking van puberteitsremmers. Maar de opzet van het onderzoek maakt die conclusie veel wankeler dan de koppen suggereren.

Geen gerandomiseerd onderzoek, maar een vergelijking achteraf

Kronk en collega's deden geen gerandomiseerd onderzoek, waarbij jongeren willekeurig wel of geen puberteitsremmer krijgen toegewezen. Dat kan ook niet, om ethische redenen. In plaats daarvan vergeleken ze, achteraf, de gezondheidsuitkomsten van jongeren die toevallig al wel of niet een remmer hadden gekregen op basis van verzekeringscodes. Dat verschil lijkt technisch, maar is precies waarom voorzichtigheid geboden is: een verzekeringsclaim laat zien wát er is voorgeschreven, niet waaróm de ene jongere dat kreeg en de andere niet. En die 'waarom' is hier het probleem.

Wie een remmer krijgt, is al de stabielere groep

De internationale richtlijnen voor genderzorg bij minderjarigen — onder meer van de Endocrine Society, waarop Amerikaanse klinieken zich baseren — schrijven voor dat puberteitsremmers pas worden overwogen als eventuele bijkomende psychische problemen 'onder controle' zijn. Met andere woorden: een jongere met ernstige, onbehandelde depressie, angst of suïcidale gedachten komt in de praktijk juist minder snel in aanmerking voor een remmer dan een jongere die psychisch al relatief stabiel is. Dat is precies het patroon dat eerder is aangetoond in kleinschaliger onderzoek naar dezelfde vraag: jongeren met meer psychosociale problemen krijgen minder vaak puberteitsremmers voorgeschreven, niet meer. Wie dus achteraf de groep-met-remmers vergelijkt met de groep-zonder-remmers, vergelijkt in feite twee groepen die al voordat er een pil aan te pas kwam, verschilden in psychische stabiliteit. In de epidemiologie heet dit 'confounding by indication': de reden waarom iemand een behandeling wel of niet krijgt, hangt zelf al samen met de uitkomst die je probeert te meten.

Wat de cijfers dan wél laten zien

Dat betekent niet dat de cijfers van Kronk en collega's onzin zijn — het betekent dat ze iets anders meten dan wat er in de berichtgeving van wordt gemaakt. De studie laat overtuigend zien dat trans jongeren als groep veel hogere percentages stemmingsstoornissen en suïcidaliteit hebben dan cisgender jongeren, remmers of niet. En ze laat zien dat de subgroep trans jongeren die een remmer kreeg, het psychisch beter deed dan de subgroep die er geen kreeg. Maar of dat komt dóór de remmer, of omdat vooral de jongeren die het al beter deden er één kregen, kan deze studieopzet niet uit elkaar trekken. De auteurs erkennen desondanks zelf dat puberteitsremmers de verschillen tussen trans en cisgender jongeren niet wegnemen, alleen mogelijk verkleinen — een nuance die in de meeste herformuleringen van het onderzoek is weggevallen.

Een terugkerend probleem in dit soort onderzoek

Deze studie staat niet op zichzelf. Eerdere, kleinere onderzoeken naar puberteitsremmers en suïcidaliteit liepen tegen dezelfde methodologische muur aan: zodra de toegang tot een behandeling al is gefilterd door een klinische beoordeling van wie er 'geschikt' voor is, meet een vergelijking achteraf vooral die voorselectie, en niet het effect van de behandeling zelf. Voor beleidsmakers en ouders die op zoek zijn naar een eenduidig antwoord op de vraag of puberteitsremmers suïcides voorkomen, biedt dit soort verzekeringsonderzoek dus geen uitsluitsel — hoe overtuigend de percentages in de samenvatting ook ogen.

Bram Kortekaas

Bram Kortekaas

Redactie

Veelgestelde vragen

Wat heeft de nieuwe studie van Mount Sinai precies onderzocht?

Onderzoekers analyseerden Amerikaanse verzekeringsclaims van ruim 231.000 jongeren (2016-2025) en vergeleken trans en cisgender jongeren met en zonder puberteitsremmers op gediagnosticeerde stemmingsstoornissen en suïcidaliteit.

Bewijst deze studie dat puberteitsremmers suïcide voorkomen?

Nee. Het is geen gerandomiseerd onderzoek maar een vergelijking achteraf van bestaande verzekeringsdata. Omdat richtlijnen voorschrijven dat remmers pas worden gegeven als psychische problemen al 'onder controle' zijn, is de groep die remmers kreeg vooraf al de stabielere groep — wat het lastig maakt oorzaak en gevolg te scheiden.

Wat is 'confounding by indication' in dit verband?

Dat is het probleem dat de reden waarom iemand een behandeling krijgt — hier: al relatief stabiel zijn — zelf samenhangt met de uitkomst die onderzoekers meten, waardoor het lijkt alsof de behandeling het effect veroorzaakt terwijl de voorselectie dat (mede) verklaart.