Vier Canadese genderklinieken publiceerden deze zomer een studie die internationaal gretig werd opgepikt: van de 445 jongeren die tussen 2012 en 2017 bij hen in zorg kwamen, identificeerde 97,1% zich na gemiddeld 2,4 jaar nog altijd als transgender of non-binair. Slechts 3% keerde terug naar een genderbeleving die aansluit bij het geboortegeslacht. Hoofdonderzoeker Margaret Lawson, verbonden aan het Children's Hospital of Eastern Ontario (CHEO), voegde daar in de begeleidende toelichting een opvallende zin aan toe: de onderzoekers waren in staat iedere jongere te volgen "without losing contact with a single young person". Voor wie het Nederlandse en internationale debat over detransitie kent, is dat een zin die meer vragen oproept dan hij beantwoordt.
Wat de studie precies deed
Het gaat om een retrospectief dossieronderzoek: de onderzoekers doorzochten de eigen patiëntendossiers van de vier klinieken, niet om jongeren actief te herbenaderen en te bevragen. Van de deelnemers was 74,4% bij geboorte als meisje geregistreerd en 25,6% als jongen. Zo'n 80% startte met hormoonbehandeling; daarvan stopte later slechts 1% (vier van de ruim 350) weer met de hormonen. De mediane follow-up van 2,4 jaar verhult een grote spreiding: een kwart van de jongeren werd korter dan 1,1 jaar gevolgd, terwijl het langste traject 7,2 jaar besloeg. Voor een uitspraak over hoe stabiel een genderidentiteit op volwassen leeftijd is, is een groot deel van deze groep dus nauwelijks lang genoeg gevolgd.
De achilleshiel: wie telt als 'vertrokken'?
De kern van het probleem zit in de methode zelf. Een dossieronderzoek registreert wat er in het dossier van de kliniek staat — niet wat er met de jongere zelf gebeurt nadat die de kliniek verlaat. Jongeren die stoppen met hun traject, zich terugtrekken uit de affirmatieve zorg of geen behoefte meer voelen aan verdere afspraken, verdwijnen in zo'n opzet simpelweg uit het dossier. Dat is precies het patroon dat in detransitie-onderzoek herhaaldelijk wordt beschreven: wie spijt krijgt of afhaakt, mijdt vaak juist de kliniek waar de behandeling begon, uit gêne, wantrouwen of het gevoel niet gehoord te worden. Zo'n jongere raakt in de administratie niet 'kwijt' in de zin van onvindbaar — die staat gewoon niet meer als actieve patiënt geregistreerd, en wordt in een retrospectieve telling niet meegenomen als afhaker. De claim dat niemand verloren ging, zegt daarom vooral iets over de definitie van de steekproef, niet over wat er met individuele jongeren is gebeurd.
Zelfevaluatie zonder tegenwicht
Er is nog een tweede laag. De klinieken die de behandeling gaven, zijn dezelfde klinieken die de resultaten van die behandeling beoordeelden — een constructie die in het Nederlandse debat over de Gezondheidsraad-adviescommissie voor puberteitsremmers expliciet als risico op belangenverstrengeling is benoemd, omdat behandelaars daar zo oordelen over hun eigen werk en dat van directe collega's. Bij deze Canadese studie speelt hetzelfde: geen onafhankelijke instantie volgde de jongeren, geen externe partij controleerde of de dossiers volledig waren, en de studie bevat geen vermelding van financieringsbronnen. Dat maakt de 97%-claim geen leugen, maar wel een cijfer dat vooral vertelt hoeveel jongeren in beeld bléven bij de klinieken die hen behandelden — niet hoeveel jongeren blijvend baat hadden bij die behandeling.
Bram Kortekaas
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat is een retrospectief dossieronderzoek en waarom zegt dat minder dan actieve follow-up?
De onderzoekers lazen alleen terug wat er al in de patiëntendossiers van de klinieken stond, in plaats van jongeren zelf opnieuw te benaderen en te bevragen. Wie geen contact meer heeft met de kliniek, laat geen nieuwe dossierregel achter — en verdwijnt zo onzichtbaar uit de telling, ongeacht de reden.
Betekent 'geen enkele jongere kwijtgeraakt' dat niemand met de behandeling is gestopt?
Nee. Het betekent dat de klinieken voor elke jongere op zijn minst één dossierregel konden terugvinden binnen de onderzochte periode. Jongeren die de kliniek meden of het traject verlieten, konden in deze opzet niet als 'afgehaakt' worden herkend.
Is de gemiddelde follow-up van 2,4 jaar lang genoeg om iets te zeggen over stabiliteit op volwassen leeftijd?
Een kwart van de deelnemers werd korter dan 1,1 jaar gevolgd. Voor jongeren die vaak nog in de vroege tienerjaren met hun traject begonnen, zegt zo'n periode weinig over hoe hun genderidentiteit zich jaren later, in de volwassenheid, ontwikkelt.