Hoe vaak komt detransitie voor — het stoppen met of terugdraaien van een gendertransitie? Wie die vraag aan de wetenschap stelt, krijgt geen eenduidig antwoord. Een kritische literatuurstudie van de Baskische onderzoekers Pablo Expósito-Campos, Karmele Salaberria, José Ignacio Pérez-Fernández en Esther Gómez-Gil, gepubliceerd in het Spaanse vakblad Actas Españolas de Psiquiatría, bracht 138 studies in kaart en concludeert dat het onderzoeksveld zelf een van de grootste obstakels vormt om die vraag te beantwoorden.

Cijfers die niets met elkaar te maken hebben

De spreiding in gerapporteerde percentages is enorm, en dat komt vooral doordat studies compleet verschillende dingen meten. Detransitie of spijt na hormonale en/of chirurgische behandeling varieert tussen 0 en 9,8%. Het stopzetten van medische zorg — zonder dat daar per se spijt aan te pas komt — ligt tussen 1,9 en 29,8%. Specifiek na chirurgie schommelt het cijfer tussen 0 en 2,4%. Eén grote studie kwam zelfs uit op 13,1% tijdelijke of blijvende detransitie, al ging het daarbij deels om mensen die zich nog altijd als transgender identificeren. De onderzoekers troffen minstens acht verschillende termen aan die door elkaar worden gebruikt: detransitie, spijt, desistentie, stopzetting en retransitie, om er een paar te noemen. Cruciaal is hun observatie dat detransitie en spijt niet hetzelfde zijn — sommige mensen detransitioneren zonder spijt te voelen, anderen voelen spijt zonder te detransitioneren. Wie deze begrippen door elkaar gebruikt, telt in feite appels en peren bij elkaar op.

Meer dan vijftig factoren, weinig overzicht

De review inventariseerde ruim vijftig factoren die een rol spelen bij detransitie, onderverdeeld in psychologische (fluctuerende genderidentiteit, onvervulde verwachtingen van de transitie, onderliggende psychische problematiek), medische (bijwerkingen, vruchtbaarheidszorgen, ontevredenheid over operatieresultaten), sociale (gebrek aan steun, discriminatie op het werk, isolement) en ideologische factoren (veranderende opvattingen over gender, geïnternaliseerde afwijzing). Daarnaast onderscheiden de auteurs zestien specifieke risicofactoren, waaronder laat beginnende genderdysforie, een non-binaire identiteit, een lagere behandelintensiteit en het ontbreken van psychologische screening voorafgaand aan behandeling — al is het bewijs op sommige punten, zoals de rol van geboortegeslacht, tegenstrijdig.

Waarom de bewijsbasis rammelt

Nog opvallender is wat de review blootlegt over de kwaliteit van het onderliggende onderzoek zelf. Van de 138 geanalyseerde publicaties was slechts 37% empirisch van aard; de rest bestond uit opinie- of overzichtsstukken. Vervolgonderzoek kampt met uitvalpercentages die kunnen oplopen tot 36% of hoger, waardoor precies de mensen die zijn gestopt met hun behandeling het vaakst uit beeld raken. De meeste studies hanteren bovendien een follow-up van slechts één tot twee jaar — te kort om iets te zeggen over wat er op de lange termijn gebeurt. Bijna 91% van alle publicaties verscheen pas tussen 2018 en 2022, wat betekent dat het hele onderzoeksveld nog in de kinderschoenen staat.

Een groep zonder duidelijk zorgpad

De auteurs constateren dat er geen vastgestelde klinische richtlijnen bestaan voor de begeleiding van mensen die detransitioneren, terwijl deze groep specifieke ondersteuning nodig blijkt te hebben: psychologische hulp, heldere informatie over mogelijke complicaties, juridische bijstand en toegang tot lotgenotencontact. De review noemt gender detransitie letterlijk "een complexe, heterogene, onderbelichte en slecht begrepen realiteit" en roept op tot systematisch onderzoek — niet om het bestaan van detransitie in te zetten tegen transgender personen in het algemeen, zo benadrukken de auteurs zelf ook, maar om een groep mensen met eigen, specifieke zorgbehoeften eindelijk het evidence-based zorgpad te geven dat nu ontbreekt.

Bram Kortekaas

Bram Kortekaas

Redactie

Veelgestelde vragen

Hoeveel mensen detransitioneren volgens dit onderzoek?

Dat verschilt enorm per definitie: spijt of detransitie na hormonale of chirurgische behandeling ligt tussen 0 en 9,8%, terwijl het stopzetten van medische zorg in bredere zin tussen 1,9 en 29,8% ligt. Eén grote studie kwam uit op 13,1%.

Waarom lopen de cijfers over detransitie zo sterk uiteen?

Onderzoekers gebruiken minstens acht verschillende, inconsistente termen — zoals detransitie, spijt, desistentie en stopzetting — die niet hetzelfde meten. Detransitie en spijt vallen bovendien niet altijd samen.

Wat ontbreekt er nog in het onderzoek naar detransitie?

Er is geen vastgestelde klinische richtlijn voor begeleiding van detransitioners, de meeste studies volgen mensen slechts één tot twee jaar, en de uitval bij vervolgonderzoek loopt op tot 36% of hoger.